![]() |
|
|
Begrafenis zaterdag 14 juni 2008
Algemene begraafplaats Kerkhoflaan Leonardus van Heijningen We zijn de begraafplaats opgekomen via de achteringang die sinds enige jaren niet meer wordt gebruikt en is afgesloten. Aan de heer Directeur der Gemeentelijke begraafplaatsen, Hoogedelgestrenge heer, De wandeling over de begraafplaats is voor mij inspirerend. Ik bezit er een familiegraf, er zijn de graven van familieleden, vrienden, kennissen, historische figuren etc. De jurist en de poëet: deze brief is daar een mooie uitdrukking van. Op 5 december, de dag van Sinterklaas, verscheen een heer in het zwart aan de deur met een enveloppe afkomstig van de directeur - daarin de sleutel van het hek: mijn vader kreeg het privilege van geheim sleutelbewaarder als hij het maar aan niemand door zou vertellen. Voor de buitenwereld was onze vader de misschien wat excentrieke advocaat die in de rechtzaal het eeuwige leven leek te hebben: rechters raadpleegden na een zitting de gids voor de rechtelijke macht om te spieken naar zijn beëdigingjaar - 1949 - na 57 jaren heeft hij zijn toga moeten afleggen. Werd hij vroeger dikwijls door de communis opinio bekritiseerd of uitgelachen vanwege opmerkelijke standpunten, op zijn oude dag ontving hij – ook vanuit onverwachte hoek – steeds meer waardering. Zijn grote inspirator was mr Willem Bilderdijk, wiens portret in zijn kantoor prijkt, advocaat van 1782-1806. Deze deinsde er niet voor terug om maatschappelijk minder welgevallige meningen te verkondigen wanneer dat nodig was. Zijn lezing over Bilderdijk voor de Jonge Balie in 1979 begon hij aldus: ‘Advocaten dienen onafhankelijk op te treden. Dit is niet altijd zonder persoonlijke risico’s vooral wanneer het politieke zaken betreft waarbij hartstochten hoog plegen op te laaien. Waarbij dit aspect van belang is: de onbaatzuchtigheid, moed en onafhankelijkheid die nodig zijn om op de juiste wijze te kunnen optreden voor hen die in nood verkeren.’ Wat te zeggen over zijn praktijk? Het was niet alleen Menten en Janmaat - in de nog strenge jaren vijftig waarin de overheid nog gezag afdwong creëerde hij de eerste jurisprudentie waarin wet moest wijken voor gewetensnood: vrijgemaakte dominees die om principiële redenen weigerden deel te nemen aan de AOW - toen volgden al snel de ‘Vrije Boeren’ die weigerden zich te laten knechten door het Landbouwschap; boerderijen werden ontruimd, veestapels weggevoerd - wekelijks paginagrote stukken in de Telegraaf - de vrije boeren waren krakers en gezagsverstoorders avant la lettre! Hij herkende in de boeren hun hang naar vrijheid en zelfstandigheid en afkeer van de ambtelijke en dwingende overheid. Kleurige slingers van dansende boertjes en boerinnetjes versierden de woonkamer toen de Boerenpartij in de Kamer kwam. Ofschoon hij zichzelf snel aan de preektoon van dominees onttrok, genoot hij ervan als die voor anderen preekten: verschillende kerkscheuringen in Katwijk, Urker vissers die ‘t Binnenhof dreigden te bezetten, in de roerige jaren zestig de Willem de Zwijgerherdenking te Delft, compleet met politie te paard en hondenbrigade; in de Nieuwsbrief van Fabius, las men wekelijks wat men nergens anders kon lezen, de enig juiste kijk op de wereld, hij was een der redacteuren. Een breed scala aan cliënten: Ambassade van Zuid-Afrika inderdaad, maar ook Stichting Surinamers in Nederland, Vrij Papoea, De man die ‘Johnson-Moordenaar’ riep en daarmee een bevriend staatshoofd beledigde, St. Japanse Vrouwenkampen, de Anti Vivisectiebeweging en enerzijds advocaat van de Evangelische Omroep maar anderzijds wisten ook de Roomschen hem te vinden: de RKPartijNederland van Klaas Beuker en de Jezuïtenpater die bakstenen door de ruiten van sekswinkels smeet en zelfs toen in Amsterdam de Heilige Maria verscheen, heeft mijn vader de juridische aspecten daarvan begeleid. Dan was er de Bond van Verontruste Ouders die als voornaamste kenmerk hadden dat ze allen kinderloos waren; ook was er de overwinning voor de stichting tegen fluor in het drinkwater. Maar laat ik benadrukken: de praktijk bestond vooral uit de haast talloze stoet van cliënten die het nieuws niet haalden waarvan vele gedurende vele decennia bleven terugkomen. In 1972 deed hij een gooi naar het kamerlidmaatschap: Nederlands Appèl: Nederland onder leiding van Ridder van Rappardt als premier en mijn vader als minister van justitie. Het kwam er niet van. Nederlands Appèl was een haast bommeliaans gezelschap; op de eerste verdieping van ons huis was het partijbureau gevestigd - dames met grote hoeden namen het huis over om enveloppen te plakken en affiches te verspreiden. In theorie was hij aartsconservatief maar in de omgang met mensen was hij liberaal - hij hield van zelfstandige geesten en kwam op voor hen die in de verdrukking kwamen door de tijdgeest. Genoeg hierover. Aan ons eigen paradijsje aan de Koninginnegracht mocht men zeker niet komen: Meer dan twintig jaren wist hij heilloze bouwplannen achter ons huis te torpederen. Op het gemeentearchief dachten ze dat er drie auteurs zijn met de naam van Heijningen over Haagse onderwerpen : mr L van Heijningen, Leo van Heijningen jr en nog een van Heijningen die in de jaren dertig artikeltjes in de Haagse Courant schreef. Het bleek echter dezelfde: op veertienjarige leeftijd debuteerde mijn vader in de Haagsche Courant met een paginagroot artikel over de restauratie van het heilige Geest Hofje door zijn oom, onze oudoom, de restauratiearchitect Bart van Heijningen! Hij schreef in het jaarboek van Die Haghe en gaf als bestuurslid van de Vrienden van Den Haag vele lezingen en organiseerde vele excursies die altijd waren volgeboekt. Voor buitenstaanders was en bleef mr L. van Heijningen die keurige gereserveerde Haagse heer met een garderobe die sinds de oorlog lange tijd niet veranderde: zijn grijze ingedeukte hoedje en lange regenjas eeuwig in de driedelige slobberpakken van de gebroeders Koenders kleermakers. Zijn das bleef hij hardnekkig strikken ook toen hij de hele dag in bed moest doorbrengen. Ik denk dat hij zichzelf het meest waardeerde als dichter. Datzelfde gebeurde in de natuur. Dit is al wat ik begeer: Ik vertelde mijn vader dat ik met dit gedichtje wilde eindigen. Rupert van Heijningen |